Ga naar de hoofdinhoud
Artikel | Pensioen Update

Pensioenakkoord drijft pensioen nodeloos weg van sociale partners

N/A
Pensioenakkoord

Door Wichert Hoekert | December 22, 2021

Zodra het gaat over risicohouding is het fondsbestuur in het nieuwe stelsel aan zet, en dreigen sociale partners buiten spel te worden gezet. Wichert Hoekert bepleit behoud van betrokkenheid van sociale partners bij de risicohouding.

Zodra het gaat over risicohouding is het fondsbestuur in het nieuwe stelsel aan zet, en dreigen sociale partners buiten spel te worden gezet. Dit terwijl dit een essentieel onderdeel is van de regeling. Wichert Hoekert pleit voor behoud van de huidige betrokkenheid van sociale partners bij de risicohouding.

Het pensioenakkoord is in de kern een stap verder in een proces dat al decennialang gaande is: de omvorming van pensioen als sociaal contract naar pensioen als financieel product. Ten dele is dat een tendens die past in het huidige tijdsgewricht. Maar op een cruciaal onderdeel lijkt het pensioenakkoord daarin verder te gaan dan nodig en wenselijk is. Het gaat dan om de risicohouding.

Een belangrijke verworvenheid in de pensioenwetgeving sinds 2015, toen de risicohouding (naar aanleiding van een amendement van Pieter Omtzigt) in formele zin werd geïntroduceerd, is dat aan de hand daarvan een betekenisvol gesprek kon ontstaan tussen sociale partners en pensioenfonds. Hoewel de formele vastlegging ervan een verantwoordelijkheid van fondsbestuur werd, moest dat gebeuren in overleg met sociale partners en fondsorganen.

Zorgplicht

Nu dreigt de risicohouding te verschuiven naar de zorgplicht, die geheel en al de verantwoordelijkheid is van het fonds. In de consultatieversie van de Wet toekomst pensioenen van december 2020 waren daar al voortekenen van, maar naar verluidt wordt die verschuiving in (niet openbare) versies nadien zelfs expliciet gemaakt. Dat terwijl juist de risicohouding, die in de nieuwe contractsvormen leeftijdsafhankelijk wordt, een nog fundamentelere schakel wordt in de werking van die contracten.

Nu dreigt de risicohouding te verschuiven naar de zorgplicht, die geheel en al de verantwoordelijkheid is van het fonds.

De wonderlijke situatie doet zich daarmee voor dat de wetgever de greep van sociale partners op de regeling eerst tot in extremis verruimt door hen een bepalende rol te geven bij de invaarexercitie, om diezelfde sociale partners vervolgens goeddeels krachteloos te maken in de regeling die vanaf dat invaarmoment ontstaat.

Uiteindelijk dreigt daarmee de gehele regeling, met uitzondering van de premiestelling en de keus voor de uitvoerder, buiten de invloedssfeer van sociale partners te belanden.

Weliswaar bepalen sociale partners premie en doelstelling, maar zonder grip op de risicohouding blijft de relatie tussen die beide goeddeels betekenisloos. Premie en doelstelling zijn immers niet op elkaar af te stemmen zonder daarin ook het gewenste, benodigde en acceptabele risiconiveau te betrekken.

Wij pleiten er dan ook voor de risicohouding de plaats te blijven geven die het nu heeft, namelijk daar waar het hoort: middenin het gesprek tussen fondsbestuur, sociale partners en fondsorganen. Bestaande waarborgen moeten bewerkstelligen dat de uiteindelijke risicohouding de belangen van alle groepen deelnemers dient. Het is onder meer aan het fondsbestuur, dat in de opdrachtaanvaarding mede aan de hand van de uitkomsten van een risicopreferentieonderzoek moet toetsen, om die evenwichtigheid te bewaken.

Wij pleiten er dan ook voor de risicohouding de plaats te blijven geven die het nu heeft, namelijk daar waar het hoort: middenin het gesprek tussen fondsbestuur, sociale partners en fondsorganen.

Toetsing

De uitkomsten van een risico-onderzoek kunnen uitstekend dienen als basis voor die toetsing, maar lenen zich niet voor een eenduidige vertaling in de risicohouding. Een dergelijk groot gewicht moet er ook niet aan worden verbonden, ook om modelrisico’s te vermijden. Hoe belangrijk een dergelijk onderzoek ook is, de uitkomsten zijn immers altijd aan modelkeuzes onderhevig. Daar komt bij dat in elke populatie sprake is van verschillen in de voorkeuren. Hoe met die heterogeniteit om te gaan, moet niet aan modellen worden overgelaten.

In de praktijk behoort het naar onze mening zo te zijn dat sociale partners in meer algemene termen de risicohouding (en de beleidsuitgangspunten) schetsen, op basis waarvan het fonds zorg draagt voor verdere detaillering en de vertaalslag maakt naar de wettelijk vereiste maatstaven. Het fondsbestuur formuleert vervolgens een (leeftijdsafhankelijk) beleggingsbeleid met een risicoprofiel dat past binnen die overeengekomen risicohouding. Die vorm dient ook het belang van het fondsbestuur; een pensioenuitvoerder moet een opdracht uitvoeren en die opdracht is incompleet als een risicohouding er geen onderdeel van uit maakt.

De zo overeengekomen risicohouding bepaalt meteen ook het mandaat van sociale partners aan het fonds. Zijn de verwachte pensioenuitkomsten op enig moment niet meer in overeenstemming met die risicohouding, dan wordt het fonds geacht daarover in gesprek te gaan met sociale partners. Ook dat mechanisme verliest zijn werking als het fondsbestuur zonder bemoeienis van sociale partners de risicohouding vaststelt. Hoewel de definitie en de rol van de risicohouding in het nieuwe stelsel wijzigen, vinden wij dat de functie ervan en de verantwoordelijkheden die ermee samenhangen in essentie ongewijzigd moeten blijven.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Wichert Hoekert.

Dit artikel is op 21 december 2021 verschenen op Pensioen Pro.

Auteur

Member of the Retirement leadership team
LinkedIn|Twitter

Related content tags, list of links Artikel Pensioen Update Pensioenakkoord Nederland
Contact Us