
DNB heeft op 2 juni een Q&A over collectieve waardeoverdrachten op de website geplaats. Hoewel een eerste indruk zou kunnen zijn dat collectieve waardeoverdrachten – met het goeddeels wegvallen van dekkingsgraadsverschillen – in het nieuwe stelsel eenvoudiger te verantwoorden zouden zijn, blijkt uit deze uiting dat dat niet per se het geval hoeft te zijn.
Fondsen zullen in de eerste plaats na moeten gaan of er sprake is van materiële verschillen. Die kunnen zich voordoen op diverse terreinen, zoals ten aanzien van de omvang en opzet van de solidariteits- of risicodelingsreserve, de omvang van de kostenvoorziening, de levensverwachtingen, de risicohouding, het aanwezige eigen vermogen, de verhouding tussen spreidings- en uitkeringsvermogen, de leeftijdssamenstelling van de populatie of de geslachtsneutraliteit.
Als er sprake is van materiële verschillen, dan verwacht DNB dat inzichtelijk gemaakt wordt wat het effect van die verschillen is voor relevante deelnemersgroepen. De benodigde inzichten kunnen worden geboden aan de hand van nettoprofijteffecten en in termen van pensioenverwachtingen in verschillende scenario’s. De betrokken fondsen dienen vervolgens de relevante verschillen die uit deze analyses naar voren komen te verklaren, en te onderbouwen dat de collectieve waardeoverdracht als geheel als evenwichtig aangemerkt kan worden.
In de Q&A gaat DNB specifiek in op toepassing ervan in het geval van algemeen pensioenfondsen, waar sprake is van collectieve waardeoverdrachten bij de samenvloeiing van collectiviteitskringen. Daarbij is ook de samenhang tussen opeenvolgende samenvoegingen van belang, omdat deze elkaar kunnen beïnvloeden.
Auteur
Pensioen Update
Het laatste nieuws voor pensioenfondsen





