
Verschillende bedrijfstakpensioenfondsen hebben een verplichtstelling waarin geen hoofdzakelijkheidscriterium of andere drempelbepaling is opgenomen om te bepalen of een onderneming onder de verplichtstelling valt. Dat brengt met zich mee dat zelfs indien maar een zeer gering deel van de bedrijfsactiviteiten onder de verplichtstelling van zo’n Bpf vallen, de werkgever tot aansluiten verplicht kan worden. Dit leidt regelmatig tot discussies en procedures tussen het Bpf en de betreffende werkgevers. Met zijn arrest van 22 mei jl. biedt de Hoge Raad helaas geen volledige helderheid om deze discussies te beslechten, maar wordt wel duidelijk dat er een zekere ondergrens moet zijn.
Afwezigheid hoofdzaakcriterium of andere drempel
De Hoge Raad heeft beslist dat als een verplichtstellingsbesluit niet met zoveel woorden voorziet in een hoofdzaakcriterium of een ander vereiste voor de omvang van de activiteiten die bepalend zijn voor de werkingssfeer van de verplichtstelling, dit er niet aan in de weg staat dat het (...) aldus wordt uitgelegd dat het voor die omvang wel enige ondergrens inhoudt. (...) Het ontbreken van enige ondergrens zou er immers toe leiden dat ondernemingen die vrijwel uitsluitend activiteiten verrichten die niets van doen hebben met de desbetreffende bedrijfstak, toch worden aangemerkt als werkgever in de zin van het verplichtstellingsbesluit.
Het verplichtstellingsbesluit moet zo worden uitgelegd ‘dat niet als werkgever kan worden aangemerkt de onderneming die in verhouding tot haar totale activiteiten, omzet, loonsom en/of arbeidsuren slechts op verwaarloosbare schaal activiteiten verricht zoals genoemd in het verplichtstellingsbesluit.’
Onderbouwing Hoge Raad
De Hoge Raad herhaalt nog maar eens dat het verplichtstellingsbesluit volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad wordt uitgelegd aan de hand van de zogeheten cao-norm. Dat wil zeggen dat aan een bepaling van een cao een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, van doorslaggevende betekenis zijn. Het komt dus niet aan op de bedoelingen van de partijen die de cao tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao is gesteld.
Als de bewoordingen van de verplichtstelling van doorslaggevende betekenis zijn, dan zou je immers ook kunnen stellen dat er heel nadrukkelijk geen hoofdzakelijkheidscriterium of andere ondergrens is opgenomen. En die moet er dan ook niet in worden gelezen. Echter, het oordeel dat het Bpf zich naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet mag beroepen op de van toepassing zijnde verplichtstelling kan tot ongewenste gevolgen leiden. De AG wijst in zijn conclusie erop dat in zo’n geval een werkgever weliswaar niet tot aansluiten verplicht kan worden, maar dat het niet vanzelfsprekend is dat de betrokken werknemers geen pensioenaanspraken jegens het fonds kunnen claimen. Zo bezien is het logisch dat de Hoge Raad probeert om de cao-norm op te rekken. En waar het arrest van de Hoge Raad erg kort is, geeft de procureur generaal bij de Hoge Raad daar in zijn conclusie (advies aan de Hoge Raad) een heldere onderbouwing voor. Hiervoor haakt hij aan bij het begrip bedrijfstak. Hoewel dat in de Wet Bpf 2000 niet afgebakend is, is er wel sprake van een natuurlijke afbakening (bakkers en schilders horen niet tot dezelfde bedrijfstak, evenmin als slagers). Om dan ondernemingen die activiteiten verrichten die van doen hebben met de activiteiten in de bedrijfstak maar slechts mondjesmaat, per definitie wél aan te merken als een onderneming op dat gebied is dan disproportioneel. Het strookt daarmee om een verplichtstellingsbesluit dat niet kenbaar zo’n criterium (of een andere drempel ter zake) bevat, zó uit te leggen dat de werkingssfeer toch een zekere ondergrens heeft.
Nadere invulling door gerechtshof
De Hoge Raad heeft de zaak terugverwezen naar het hof Arnhem. Dit hof mag zich buigen over de vraag wanneer sprake is van een onderneming die in verhouding tot haar totale activiteiten, omzet, loonsom en/of arbeidsuren slechts op verwaarloosbare schaal activiteiten verricht zoals genoemd in het verplichtstellingsbesluit. Daarbij wordt het interessant of het hof dan alleen ingaat op de onderhavige casus of een breder kader gaat uitwerken.
Grote gevolgen voor bedrijfstakpensioenfondsen en ondernemingen
Zowel voor bedrijfstakpensioenfondsen zonder een drempel in de verplichtstellingsbeschikking als voor ondernemingen die vanwege de afwezigheid van een drempel moeten aansluiten bij een Bpf kan dit arrest verstrekkende gevolgen hebben.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Rick Crauwels
Auteur
Pensioen Update
Het laatste nieuws voor pensioenfondsen