
Dit artikel is eerder in de juni/juli editie 2026 van PensioenMagazine verschenen.
Bijna tien geleden is in Nederlandse pensioenwetgeving de premieregeling verbeterd. Dat was althans wat de naam van de toen geïntroduceerde wetgeving deed vermoeden; de Wet verbeterde premieregeling. Die naamgeving ontstond nadat een formeel wetsvoorstel van het kabinet moest concurreren met een initiatiefvoorstel van Kamerlid Lodders (later – ik laat het aan de lezer over hier desgewenst vrijelijk te associëren over verbanden tussen variabele uitkeringen en kansspelen – bekend als lobbyist voor de kansspelsector, waarover ze eerder het woord voerde namens de VVD). Het kabinetsvoorstel droeg de allicht meer passende benaming Wet variabele pensioenuitkering. Dat was dan ook precies de kern van het wetsvoorstel; het introduceerde de mogelijkheid om bij pensioneren in plaats van voor een vastgestelde uitkering te kiezen voor een variabele uitkering.
Toch deed het wetsvoorstel dat enigszins halfhartig: weliswaar werden variabele uitkeringen mogelijk, maar de standaard bleef – behalve voor pensioenfondsen, die daar onder voorwaarden van af konden wijken – de vastgestelde uitkering. En dus, geheel in lijn met de algemene observatie dat deelnemers zeer overwegend de default volgen, hebben deelnemers die pensioneerden uit premieregelingen ook de afgelopen tien jaar in grote meerderheid gekozen voor vastgestelde uitkeringen.
De wetgever heeft de koudwatervrees waarvan in 2016 nog sprake was met de Wet toekomst pensioenen geheel laten varen. In de solidaire premieovereenkomst is een vastgestelde uitkering niet eens meer mogelijk, en ook in de flexibele premieovereenkomst kan de variabele uitkering nu tot standaard worden verheven.
‘Op deze manier wordt voorkomen dat deelnemers onbewust terechtkomen in risicovolle uitkeringen die niet passen bij hun financiële situatie. Deze bescherming vind ik belangrijk en ik wil dan ook aan de vaste uitkering als standaardoptie vasthouden’. Dat vond Wouter Koolmees als toenmalig minister nog in 2019, om vervolgens mede aan de wieg te staan van de Wet toekomst pensioenen. In de memorie van toelichting daarbij constateerde het ministerie dat ‘bij de evaluatie van de Wet verbeterde premieregeling naar voren [is] gekomen dat het in ieder geval voor een deel van de deelnemers goed mogelijk is dat een vastgestelde uitkering eigenlijk minder goed bij de persoonlijke situatie past dan een variabele uitkering. Daarnaast biedt een nominaal vastgestelde uitkering, zoals aangeboden door verzekeraars, geen perspectief op indexatie.’
Als de verbetering van premieregelingen die de Wet verbeterde premieregelingen beloofde hoofdzakelijk bestond in de mogelijke meerwaarde van een weloverwogen rendementspotentieel in de jaren na pensionering, en daar lijkt me veel voor te zeggen, dan is het eigenlijk pas met de Wet toekomst pensioenen dat die meerwaarde tot volledige wasdom kan komen nu die variabele uitkering (ook buiten pensioenfondsen) tot standaard kan worden gemaakt.
Mijn indruk is dat de potentie daarvan nog onvoldoende tot zijn recht komt. Werkgevers en hun adviseurs richten zich in de transitie naar het nieuwe stelsel primair op de vraagstukken vanwege de wijzigingen in de premiesystematiek, en de eventuele compensatievragen die daaruit ontstaan, en op de formulering van risicodekkingen binnen het nieuwe stelsel. Dat zijn belangrijke en onvermijdelijke vragen, maar te vaak wordt de vraag naar het ontwerp van de standaard uitkeringfase vervolgens niet of onvoldoende fundamenteel behandeld.
Het lijkt me zeker niet gezegd dat voor elke werknemerspopulatie een variabele uitkering het meest passend is, maar wel dat dat in meer gevallen zo is dan waarvoor dat nu als standaard wordt verkozen. De ontwikkeling in het ministeriële denkpatroon dat in de twee hiervoor aangehaalde citaten naar voren komt moet zich, denk ik, in de denkwereld van werkgevers en hun adviseurs nog afspelen. Vaak wordt de voorkeur gegeven aan de nominale uitkering vanwege het veilige (en beschermende) karakter daarvan, maar daarbij wordt over het hoofd gezien dat die bescherming ten eerste niet voor iedereen evenzeer nodig is, maar bovendien in nominale termen gedefinieerd is. De nominale zekerheid van de vastgestelde uitkering die tot standaard wordt gekozen biedt volledige zekerheid op koopkrachtverlies. Dat koopkrachtverlies kan gedurende de uitkeringsperiode tot tientallen procenten oplopen.
Nu de Wet toekomst pensioenen de ruimte laat om de verbetering die de Wet verbeterde premieregeling al beloofde breder tot uiting te laten komen, zou het een gemiste kans zijn als werkgevers de mogelijkheid om de variabele uitkering tot standaard te maken onvoldoende overwegen. Weliswaar blijft voor elke individuele deelnemer in de flexibele premieregeling de keuzemogelijkheid om af te wijken van de standaard van de eigen regeling bestaan, en ligt het voor de hand dat de begeleiding daaromtrent in de komende jaren verder zal verbeteren – dat ontslaat werkgevers en hun adviseurs natuurlijk niet van de verantwoordelijkheid om goede standaarden in te richten.
Pleiten voor meer risico druist wellicht in tegen de natuur van (een deel van de) adviseurs, en misschien ook wel tegen die van de werkgevers die zij adviseren. Pleiten voor meer risico brengt natuurlijk ook extra verantwoordelijkheden met zich mee. Niet bij elke werkgever zal meer risico raadzaam zijn, en niet voor elke groep werknemers zal dezelfde mate van risico passend zijn. Toch hoeft een variabele uitkering geen kansspel te zijn, en moet het dat uiteraard ook niet zijn.
Hoe de uitkering vorm te geven, is in geval van een variabele uitkering een veelzijdiger vraagstuk dan in geval van een vastgestelde uitkering (die overigens, om koopkrachtverlies te vermijden, een inflatiecomponent zou moeten bevatten – maar in de huidige praktijk van individuele uitkeringen komt dat niet voor). Denk daarbij aan de mogelijkheden van vaste stijgingen of dalingen, de eventuele spreiding van resultaten in de tijd, de werking van een risicodelingsreserve, et cetera – ontwerpvragen die bij moeten dragen aan het inrichten van een variabele uitkeringsfase die het pensioen verbetert.
Premieregelingen zijn in Nederland in het afgelopen decennium veel prominenter, maar ook een stuk beter geworden. De Wet toekomst pensioenen is een logisch vervolg daarin, maar de mogelijkheden ervan worden pas volledig benut als ook de uitkeringsfase daarin de aandacht krijgt die deze verdient.
Contact
Pensioen Update
Het laatste nieuws voor pensioenfondsen
